• Born 29 March 1824 - Haarlem
  • Deceased
  • Beambte in de Stadsbank van Lening

 Parents

  • Petrus Pieter Kops, born about 1788 - Haarlem, deceased 22 December 1871 - Haarlem aged about 83 years old,
    Schippersknecht Amsterdamse veer

    Married 6 May 1818, Haarlem, to
  • Elisabeth Kragt, born about 1794 - Haarlem, deceased 5 October 1888 - Wormen aged about 94 years old,
    Dienstbaar

 Spouses and children

 Siblings

 Notes

Individual Note

RK.

Family Note

Marriage with Alida Catharina Ruijfrok

Rond 1850 woonde het gezin in de Bethaniendwarsstraat te Amsterdam (Stadsarchhief Amsterdam).

Uit: Algemeen Handelsblad 04-06-1853

REGTSZAKEN. VERDUISTERING VAN GELDEN UIT DE BANK VAN LEENING TE HAARLEM.
Op den 7den Junij e. k. zal voor het Provinciaal Geregtshof van Noord-Holland behandeld worden de zoo bekende zaak van P. Kops c. s., beschuldigd van, als rekenpligtige ambtenaren van de Bank van Leening te Haarlem, weerloos gemaakt en aan derzelver bestemming onttrokken te hebben gelden en geldswaarden. Uit de zeer uitvoerige acte van beschuldigiug deelen wij kortelijk hét volgende mede: Er zijn in deze zaak vier beschuldigden: Pieter Kops Jr., voortvlugtig, vroeger klerk aan de Bank van Leening te Haarlem , Hendricus Hubertus Beijer, sinds 1839 onderkassier en contra-boekhouder aan die bank, Albertus van Leeuwen, sinds 1841 oud 1ste klerk aan die bank, en Alida Catharina Ruifrok, huisvrouw van den eersten besch[uldigde]. Het schijnt, dat tot op 1 Mei 1852 de wijze van boekhouding vrij onvoldoende is geweest; immers voor dien tijd werden op de beleenboeken de karakters niet omschreven, waarmede de ingebragte panden werden gemerkt, en, wanneer eejj pand uit meer dan een voorwerp bestond, werden deze niet op die boeken omschreven, terwijl eindelijk na het jaar 1802 of 1803 de panden niet geteld en met de boeken vergeleken zijn. Hierin hebben commissarissen op 1 Mei 1852 verandering gebragt, en bij de verkooping van 30 Sept. 1852 bleek het, dat vele panden op de nommers van de boeken niet voorhanden waren, maar wel op andere, ook bij de boeken bekende, nommers en dus meer dan eenmaal waren beleend; terwijl deze panden op het nommer van de oudste beleening bleven liggen. In de maand October is men tot de Inventarisatie der goederen en verificatie der kas overgegaan ; en toen bleek het, dat in plaats van 18,686 panden, vertegenwoordigende ƒ 102,537.25, slechts voorhanden waren 15,540 panden, ter waarde van ƒ 60,931 , opleverende een tekort van ƒ 41.606,25. Daarop hebben commissarissen zooveel mogelijk onderzocht, welke panden nmisten, en onder anderen ook bevonden , dat een goud- en zilveri kashouder J. F. Orthlieb bij zijnen dood ƒ 17,000 schuldig was, terwijl de hiervoor liggende panden slechts ƒ 8716.75 hebben opgebragt. Volgens de boeken moest in de kas aanwezig zijn ƒ 11,310.37 1/2 en is daarin slechts gevonden ƒ 10,216.06, behalve nog f 300, welke genoemde Orthlieb meer schijnt te hebben betaald, dan op de boeken was vermeld; welk verschil hoofdzakelijk ontstaan is, omdat de tweede besch. eene som van/ 1000, door den stedelijken ontvanger verstrekt, niet heeft geboekt. Inmiddels hadd op den 28sten Sept. de eerste besch. zich uit Haarlem verwijderd, waardoor natuurlijk spoedig vermoedens tegen hem rezen, die versterkt werden, toen het bleek, dat hij persoonjijk en door anderen vele goederen, geheel overeenkomende met vermiste panden, had beleend , alles na het jaar 1847. Zulke panden kon hij zich daarom gemakkelijk verschaffen , omdat, in strijd met de ordonnantie , hg onophoudelijk en geheel alleen op de goud- en zilverkamer werd toegelaten. De tweede besch. had alleen de controle over de afgeloste panden en lon dus gemakkelijk panden als onafgelost opgeven, die werkelijk afgelost, doch weder beleend waren. De schuld van dezen wordt nader bewezen door eene menigte kostbare voorwerpen, te zijnen huize bij de huiszoeking gevonden. De besch. beweert deze goederen op de veilingen van de bank gekocht te hebben en is dikwerf op de processen_-verbaal van verkoop genoteerd; maar dit voorgeven is zonder kracht, dnar de beschuldigde meestal de panden instelde tot den prijs, waarvoor de schatter aansprakelijk was en bij ophouden dier panden als kooper opgeteekend werd. De beschuldigde was niet bemiddeld, had slechts ƒ 650 inkomen, had een huis gekocht voor ƒ 1600, zoodat de vraag zich altijd blijft voordoen hoe hij al die kostbaarheden kan hebben betaald; Iets dat de beschuldigde dan ook niet heeft kunnen oplossen. Daarenboven heeft hij reeds in het jaar 1845 van meergemelden Orthlieb eene betaling van ƒ 1500 ontvangen en hiervan slechts ƒ 1200 in rekening gebragt; en evenzeer schijnt hij de f 1000, doorden stedelijken ontvanger verstrekt, niet geboekt te hebben op de staten, die hij wekelijks aan commissarissen moest overleggen. Eindelijk heeft deze besch., toen de panden vermist waren, gezegd, dat het hem niet zoude bevreemden, indien het kapitaal van de Bank van f 11,300 tot f 8000 verminderd zou wezen; en tevens, toen de president-commissaris met hem over den jammerlyken staat der Bank sprak, "0 God! Mijnheer! maak mij niet ongelukkig". De derde besch. is op 20 Oct. 1852 op de bank inhechtenis genomen, een horologie in de bank beleend bij zich hebbende. Zijne schuld wordt bevestigd door de omstandigheid , dat door zijnen broeder sinds 1848 vele panden zijn beleend, geheel overeenkomende met vermiste panden, en ook op verzoek van dezen broeder door eenen anderen persoon en dat wel bepaald in de bank zelve, des Zaturdags na het slaan van 9 ure, als wanneer hij besch. op de zilverkamer was. Wat de vierde besch. aangaat, die van medepligtighcid is aangeklaagd, zg heeft haren man dikwerf bijgestaan in het beleenen der goederen en het schijnt, dat zij van de afkomst dier goederen niet onbewust was. De besch. ontkennen de hun ten laste gelegde misdrijven. Wij vernemen, dat de 2de besch. door Mr. A. C. Cosman en de 3de en 4de door Mr. P. A. Haas zullen worden bijgestaan.

Uit de Bredasche courant 10-07-1853:

Bij het Provinciaal Geregtshof van Noordholland is den 5den dezer de behandeling aangevangen der zaak van de ontvreemding van panden uit de bank van leening te Haarlem, Nadat, op last des voorzitters mr. J.M. van Maanen, een deurwaarder den voortvlugtigen beschuldigde te vergeefs had opgeroepen, las de griffier de acte van beschuldiging voor, waarbij P. Cops Jr., thans voortvlugtig, vroeger klerk aan genoemde bank, H. H. Beijer, sedert 1839 onderkassier, A. van Leeuwen, sedert 1841 klerk bijdie inrigting, en A. C. Ruifrok huisvrouw van den eersten beschuldigde, naar genoemd geregtshof verwezen werden , de drie eersten beschuldigd, als rekenpligtige ambtenaren gelden en geldswaarden . tot een bedrag van meer dan f 1300 , weerloos gemaakt en aan hunne bestemming onttrokken te hebben; de vierde van medepligtigheid aan die daad, door het des bewust verduisteren der ontvreemde voorwerpen. Uit cle boeken was gebleken dat de boekhouding van de bank, tot op 1 Mei 1852, toen daarin verandering gebragt werd, zeer gebrekkig en duister is geweest, en dat het tellen der panden en hunne vergelijking met de boeken sedert nagenoeg vijftig niet geschied was. Voorts heeft de verificatie, na de ontdekking, het bewijs geleverd dat er 3,146panden, bedragende f 41,606.25, ontbraken, buiten eenige posten, het gevolg van het niet als ontvangen vermelden van f 1000, door den stedelijkon ontvanger uitbetaald. Óok was ontdekt dat door den sedert overleden zilversmid 'Orlhlieb panden beleend en niet gelost waren, die bij verkoop f 8,716.75 minder dan de beleende som hadden opgebragt, tengevolge waarvan de bank f 17,000 van zijne nalatenschap had te vorderen, hetgeen mede het vermoeden vau verduistering heeft doen ontstaan.

Nadat het getuigenverhoor dien dag en den volgenden was afgeloopen , hield do procureur-generaal. Mr. D. C. van der Kemp, de beschuldiging tegen den tweeden en derden beschuldigde vol, maar erkende dat tegen de vierde geene voldoende bewijzen geleverd waren, en requireerde dienvolgens dat de eerste beschuldigde verklaard zou worden wederspannig aan de wet; de tweede en derde zouden worden schuldig verklaard aan het hun ten laste gelegd misdrijf en derhalve veroordeeld, doch slechts tot eene correctionele gevangenisstraf, omdat niet bewezen zou zijn dat hunne ontvreemdingen tot een hooger bedrag dan f 1500 , of de door hen gestorte borgtogt, zouden geklommen zijn, en eindelijk dat de vierde beschuldigde zou worden vrijgesproken.

 Sources

  • Birth: Stadsarchief Amsterdam Bevolkingsregisters 1851-1853
  • Spouse: wiewaswie.nl

  Photos and archival records

{{ media.title }}

{{ media.short_title }}
{{ media.date_translated }}

 Family Tree Preview

       
   
   
   
Jacobus Kops  Johanna Koopman  Gerrit Kragt  Anna de Jong
|
4
 |
5
 |
6
 |
7



 


| |
Petrus Pieter Kops ca 1788-1871 Elisabeth Kragt ca 1794-1888
|
2
 |
3



|
Pieter Kops 1824-


  1. gw_v5_tour_1_title

    gw_v5_tour_1_content

  2. gw_v5_tour_2_title (1/7)

    gw_v5_tour_2_content

  3. gw_v5_tour_3_title (2/7)

    gw_v5_tour_3_content

  4. gw_v5_tour_3bis_title (2/7)

    gw_v5_tour_3bis_content

  5. gw_v5_tour_4_title (3/7)

    gw_v5_tour_4_content

  6. gw_v5_tour_5_title (4/7)

    gw_v5_tour_5_content

  7. gw_v5_tour_6_title (5/7)

    gw_v5_tour_6_content

  8. gw_v5_tour_8_title (6/7)

    gw_v5_tour_8_content

  9. gw_v5_tour_7_title (7/7)

    gw_v5_tour_7_content

  10. gw_v5_tour_9_title

    gw_v5_tour_9_content