Infobericht aan bezoekers

close
Welkom, Bienvenue, Wilkommen, Welcome.
 

 Familiekroniek




Fam_Willems0001.JPG
Samenvatting

 1 - ARMAND WILLEMS

Armand.JPG

Armand

LEVEN EN WERK

door Jacques Willems

Inleiding

Waarom hier de levensloopbaan van mijn vader Armand Willems beschrijven ? Hij heeft in zijn korte leven zoveel gepresteerd eerst als onderwijzer en daarbuiten in zijn vrije tijd meestal in de culturele sector zodat het de moeite waard is dat even te belichten en voor het nageslacht te bewaren. Hij was een gedreven onderwijzer en opvoeder. Hij had een aangeboren tekentalent,was een geboren toneelspeler en organisator. Al deze gaven heeft overvloedig gebruikt in zijn lange onderwijzersloopbaan en daarbuiten. Zijn opleiding als onderwijzer kreeg hij in de Normaalschool te Torhout. De school had een grote uitstraling onder leiding van directeur priester Decoene later Kanunnik Decoene. Daar kreeg hij de basis voor een vruchtbare onderwijzersloopbaan en een Christelijk Vlaams ideaal dat wars was van alle invloeden van buiten uit. Zijn aanleg voor het tekenen heeft hij in de academie vervolmaakt en het heeft hem de mogelijkheid gegeven in al zijn activiteiten, daar waar het kon, een bijkomende positieve toets te geven. Het toneelspelen zat hem in de genen. Reeds in de Normaalschool speelde hij regelmatig toneel. Later kwam dan de Cabaretgroep "Eick wat wils",de toneelkring "Kunst Adelt",en zoveel aanvragen om mee te helpen bij de regie of opvoeringen in een pa ar scholen. Enkele van zijn broers speelden ook regelmatig toneel. Zijn organisatietalent kwam niet alleen tot uiting in de toneelkring en andere activiteiten maar vooral bij de opvoeringen van het Heilig Bloedspel vóór en na de oorlog waar hij de secretaris was, hulpregisseur en leider van de organisatiedienst, en bij het Sint Benedictusspel te Steenbrugge waar hij niet alleen de regisseur was maar ook de ontwerper van het toneeldecor en podium. Zo te zien was het leven van Armand Willems boeiend te noemen. Met de weinige elementen waarover we beschikken en voortgaande op onze herinneringen zullen we trachten hier zoveel mogelijk feiten en gegevens te verzamelen in zoverre dat na zoveel jaren zijn bijdrage aan de cultuur van ons Vlaamse volk niet zou verloren gaan. We beogen hier geen hoogstaande lectuur maar het eenvoudig weergeven van de feiten en gebeurtenissen. Sommige anekdoten die we nog herinneren gaan we aanhalen daar ze soms een licht werpen op de heersende gewoonten. Mijn vader wilde nooit in de kijker lopen, hij werkte bescheiden maar doorgedreven. Zo heeft hij het klaargespeeld om in zijn korte leven een zeer gevulde loopbaan op te bouwen. Soms vraagt men zich af waar hij de tijd haalde om alles waar hij mee bezig was te verwezenlijken. En wat belangrijk is, hij heeft dit alles vrijwillig gedaan, het was zijn leven en zijn ideaal. Hij was in alles eerlijk en dat sierde hem.

Zijn jeugdperiode

Armand werd geboren op 28 november 1902 als elfde kind in een gezin van veertien. Zijn ouders waren Amand François Willems geboren te Brugge op 4 december 1862, zoon van Louis Antoine Willems en van Julie Caroline Van Quickelborne en van Sophia Dorothea Vermeersch geboren te Dadizele op 26 augustus 1864, dochter van Carolus Ludovicus Vermeersch en van Joanna Hersens. Het gezin Willems woonde toen in de Philipstockstraat 18 in Brugge. Armand was dus een echte Bruggeling en zou daar zijn ganse leven getuigenis van afleggen. willems0004.JPG

Familie Willems, in de Vlamingstraat 26, met Armand uiterst links en verder vlnr Tine, Julia, Margot, Nette, Lydia, Amand, Guibert, Sofie, Albert, Alfons en Marie(zr Veronique). Joseph ontbreekt.

Over zijn eerste schooljaren weten we weinig maar waarschijnlijk bracht hij zijn lagere en zeker zijn middelbare school door in het Sint Leo College. In 1908 verhuisde de familie Willems naar hun eigendom in de Vlamingstraat 26 waar ze een kruidenierszaak uitbaatten. Op dit adres bevindt zich nu het restaurant "Dell Arte". In het gezin Willems was het behoorlijk druk en werd er veel plezier gemaakt. Niettemin hield vader Amand er de strenge hand in en dat was ook nodig met zo'n grote bende. Op de speelkoer in het college was de voertaal Frans. Iemand die dit niet respecteerde kreeg een doosje in de hand gestopt met kleingeld (?) en moest dit doorgeven aan degene die hij kon betrappen mits een bijdrage. Hij riep dan "moi j'ai un dozetje qui kluttert" en iedereen wist dan dat er gevaar dreigde. Daar in het college heeft hij kennis gemaakt met de scouts. Hij werd dan ook lid van de Scoutsgroep Sint Leo. Hij was later ook lid van de Scoutsharmonie van Sint Leo als trommelaar. Dit was een hechte groep waar ook enkele van zijn broers lid van waren. Nog vele jaren na zijn huwelijk is hij lid gebleven.

De normaalschool

Na zijn humaniora begon hij zijn studies aan de Normaalschool te Torhout. Het was voor hem een boeiende tijd. Onder de leerlingen heerste een uitstekende kameraadschap en de relatie met leraars en directie was zeer goed. Daar heeft Armand zijn tekentalent kunnen botvieren. We halen hier de passage aan van Frans Ramon (Boschvogel) toen hij de lijkrede uitsprak: "In de Normaalschool te Torhout heeft hij een geslacht van de onderwijzer van morgen met zijn romantische tekeningen en schilderijen, die de wanden en geschriften van het St. Jozefsinstituut versierden, helpen vormen tot dit volschone Vlaamse idealisme, dat ons geluk en onze smart, maar onverminderd ons aller levensdoel is gebleven." De directeur Kanunnik Decoene had een paar boekjes geschreven o.a. met "Raadgevingen aan studenten en jonge katholieke Vlamingen".Hij deed beroep op Armand om een ontwerp te maken voor de titelbladzijde van zijn boek "Eer en Deugd". Een ander boek "In 's Konings dienst" .uitgegeven door de uitgeverij Excelsior, kreeg ook een titelbladzijde van Armand. Waarschijnlijk ligt de toen heersende schoolstrijd aan de basis van een realisatie in de toneelzaal van de school. Een muur werd vol geschilderd met romantische leuzen gevat in vlaggen en guirlandes. We lezen onder andere op de muur "Ons vaandel trouw in ramp en rouw ,in blijdschap en in zegen" van Guido Gezelle. En op de vlag: "Zij zullen haar niet hebben de schone ziel van 't kind". We waren toen duidelijk in een schoolstrijd verwikkeld. We moeten ook nog vermelden dat hij in verschillende toneelstukken optrad samen met de andere medeleerlingen. Enkele van de opgevoerde stukken waarin hij meespeelde: "Kosthuis", "De blindgeborene","Breydel en De Coninck", "Branconnier" en andere. De vele foto's getuigen daarvan. Zijn aanleg voor toneel is daar duidelijk tot uiting gekomen. In 1922 behaalde hij zijn diploma van onderwijzer en kon hij in dit edel beroep al zijn talenten gebruiken en ten toon spreiden. Om nog beter zijn tekentalent te ontwikkelen volgde hij de academie in Brugge en behaalde er na het schooljaar 1922-1923 de tweede prijs. De academie werd toen geleid door Flori Van Acker. Zijn leraar was Ch.Poupaert.

armand0003.JPG

Padvinders van wat men de kleine sectie noemde. Armand rechts met trommel

armand0001.JPG

Beeld uit de jaren twintig. Armand zit helemaal links met de toneelgroep die 'Kosthuis Bulle..' opvoerde.

Het volle leven

In het begin van zijn loopbaan heeft hij les gegeven in het Blinden en Doofstommengesticht, nu Spermalie. Dat is alles wat we er van weten. In die periode had Armand nog andere plannen. Hij dacht er toen aan om een gezin te stichten, de normale gang van zaken. Op de jaarlijkse dorpskermis van Sint Michiels in september 1925, waar hij samen met enkele van zijn broers aanwezig was, leerde hij zijn toekomstige echtgenote Germaine De Baecke kennen. Het was liefde op het eerste gezicht en hij liet er geen gras over groeien : zes maanden later waren ze gehuwd. Germaine was geboren op 15 juni 1907 en de dochter van Alfons De Baecke en Clementine Marie Cassert. Het huwelijk greep plaats op 7 april 1926. In den beginne woonde het jonge koppel in de Vlamingstraat 26 bij de ouders van Armand. Op 3 september verhuisden ze naar de Peperstraat 65. We zullen verder zien dat het gezin nog vele malen zal verhuizen al naar gelang de omstandigheden. Op 21 februari 1927 werd een eerste zoon Jacques geboren en op 29 april verhuisde het gezin naar de Veldstraat 1 te Sint Michiels. Hun naaste buur was Joris Van Severen maar verder hadden zij daar geen verdere relatie mee. Op 3 september 1928 had Germaine een miskraam en op 19 september 1929 werd een tweede zoon Pierre geboren. In 1930 verhuisde het gezin Wiltems naar de Molenstraat 14 te Sint Michiels.

EIck wat Wils

Intussen werd in het jaar 1929, onder leiding van Jef Wildemeersch, het Cabaretgezelschap "EIck wat Wils" opgericht .De officiële benaming van het gezelschap was "Katholiek Vlaams Cabaret EIck wat Wils".Het was het eerste Katholiek Cabaretgezelschap in Vlaanderen. Arie Schoonooghe, Armand Willems, Antoon Vrielynck en Honoré Messens maakten deel uit van dit gezelschap. Dit kleinkunstgezelschap had een gevarieerd programma dat danig in de smaak viel van het publiek en dat meteen een schitterende toekomst tegemoet ging. Er werden folders gestuurd naar voornamelijk culturele organisaties zoals het Davidsfonds, maar ook naar allerlei verenigingen en instellingen die een feestelijke namiddag of avond wilden organiseren. In 1933 maakte men zelfs reclame voor optredens op 11 juli feesten en Vlaamse Kermissen. Het succes bleef niet uit na korte tijd stonden reeds 200 vertoningen op hun kalender. Er volgde zelfs een uitzending op het N.I.R.(Nederlands Instituut voor Radio-omroep). Bij het ontwerpen van de programmafolders en -boekjes gebruikte Armand ook hier zijn tekentalent. Er resten ons nog programma's van optredens in Halle ter gelegenheid van de Guldensporenherdenking. De opeenvolgende programmabrochures, er waren er drie in totaal, kregen een voorblad van zijn hand en in de laatste werd elke medespeler in het gezelschap op een karikaturale manier weergegeven. Armand was ook de tekenaar van dienst, de chauffeur, de secretaris en de penningmeester. Hiermee had hij meer dan zijn handen vol. Niets was hem te veel, men kon altijd op hem beroep doen . In 1933 vond een uitvoering met het cabaret plaats in de tuin van de familie Dewitte te Sint Michiels ter gelegenheid van een Vlaamse Kermis. Armand kon niet stil zitten en heeft bij deze gelegenheid speciaal een kleine wagen gemaakt met enkele banken waarop de kinderen konden plaats nemen. Aan deze wagen werd dan zijn motor (hij was een verwoed motorrijder!) aangekoppeld en werd er rond de tuin gereden. En 's avonds moest hij dan nog optreden met het cabaret. Tot 1937 was hij verbonden aan de Stadsjongensschool in de Ganzenstraat, waar hij het derde en vierde studiejaar onder zijn bevoegdheid had. Na 1937 ging hij over naar de Stadsjongensschool in de Mortierstraat waar hij het eerste en tweede studiejaar gaf. Ik herinner mij nog zeer goed dat hij de lessen zeer aanschouwelijk maakte met vele tekeningen op het bord en bij het jaarlijkse bezoek van de schoolinspecteur was dat ieder maal een gelegenheid om uit te pakken met ingekleurde tekeningen op grote bladen die het onderwerp van de les moesten onderlijnen. Vermelden we nog dat op 24 juli 1932 een dochter Maria werd geboren. Ondertussen stond er weer een verhuis op het programma en nam men zijn intrek in de Generaal Lemanlaan 128 te Assebroek. Daar werd op 24 augustus 1935 een derde zoon Paul geboren die echter op 7 februari 1936 overleed aan een hersenvliesontsteking. Dit was een donkere periode in het gezin. Op 27 oktober 1937 verhuisde men naar de Gistelse Steenweg 138 te Sint Andries. In die periode waren de optredens voor "EIck wat Wils" niet meer zo talrijk. Het voortbestaan van het gezelschap "Elck wat Wils" kwam in vraag. Toen brak de oorlog uit. Jef Wildemeersch wilde in die tijd verder werken maar dat viel in slechte aarde. Iedereen haakte af maar Jef Wildemeersch richtte een nieuwe groep op. Dit is echter een ander verhaal. In de jaren dertig was Armand Willems ook secretaris van het Algemeen Katholiek Vlaams Toneelverbond (AKVT) en dit tot juist voor de oorlog. Wanneer hij daarmee gestart is weten we niet. Op 26 december 1938 was er in Brugge een congres van het AKVT en op vraag van Armand heeft Pater Boon toen zijn film "EIckerlyc" gedraaid voor de congresgangers. Er werd ook tentoonstellingsmateriaal van het Heilig Bloedspel ter beschikking gesteld en pater Boon was ook te gast op de congreszitting.

De periode van het Heilig Bloedspel

bloedspel.jpg

Een scene uit het Heilig Bloedspel

Deze begon in 1937. Dit werd een nieuwe uitdaging voor Armand. Pater Boon C.SS.R ,een Redemptorist,die verbleef in het klooster te Essen, had plannen om in Brugge een groots spektakel op te voeren op de Markt met het Belfort als decor. Het idee voor deze voor dit plan kwam oorspronkelijk van Mej.Dujardin. Na vele onderhandelingen met het Brugse stadsbestuur kwam eindelijk het lang verwachte fiat en kon met de voorbereidingen worden begonnen. Men bouwde het podium, er waren de repetities van het zangkoor en het toneel tot eindelijk de bekroning kwam in 1938 toen zeven uitvoeringen een ongehoord succes meebrachten. Van in den beginne werd Armand bij deze organisatie betrokken en hij heeft er ten volle geheel zijn krachten aan gewijd. Pater Boon kon altijd op Armand rekenen en zo ontstond er onder hen een hechte vriendschap. Als secretaris moest Armand voor alles en nog wat zorgen. De opvoeringen vielen gelukkig in de periode van de grote vakantie maar de rust was ver te zoeken. De zeven uitvoeringen van 1938 (20,21,25,27,28,31 augustus en 1 september) brachten meer dan 125.000 toehoorders op de been zodat het Stadsbestuur besloot een nieuwe reeks opvoeringen in 1939 te laten plaats grijpen. Ze werden gepland op 5,6,10,12,13,15 augustus. In de tussenperiode bleef men niet stilzitten. Alle voorbereidingen werden getroffen om die tweede reeks voorstellingen tot een even groot succes te maken. Vanaf oktober 1938 ontstond er een levendige briefwisseling tussen Pater Boon en Armand Willems. Pater Boon verbleef immers in het klooster te Essen. Meestal ging het over de aanwerving van de spelers of over de communicatie met het stadsbestuur die niet altijd even vlot verliep. Lijsten van de diverse groepen moesten aangelegd worden en er moest uitgekeken worden naar lokalen waar men kon repeteren. Dit alles was werk voor Armand Willems met tussendoor de aanbevelingen van Pater Boon die alles in goede banen wenste te leiden. Om de omvang van het werk enigszins te vatten moet men maar eens het gedeelte van de briefwisseling raadplegen tussen Pater Boon en Armand Willems in de periode tussen Oktober 1938 en begin 1947. Dat Pater Boon het werk van Armand op prijs stelde moge blijken uit de brief van 16 mei 1939 waar hij schreef : "Waarde vriend Willems, Van harte dank voor alles! Ik bewonder Uw dapper doorwerken, en ben er heus gelukkig om!". Het is een feit dat Pater Boon in Armand DE geschikte medewerker had gevonden. Op die tweede reeks opvoeringen kwamen 100.000 toehoorders af. Door dit succes werd beslist om de vijf jaar de opvoeringen te laten plaats grijpen. De oorlog was hier wel een spelbreker. De oorlogsperiode De oorlogsdreiging kwam er aan. In het gezin Willems greep nog een voorname gebeurtenis plaats juist twee maanden voor het begin van de oorlog. Op 10 maart 1940 deden Jacques en Pierre hun Plechtige Communie. Op 10 mei brak de oorlog los. Het zou de geschiedenis totaal veranderen. Bij het begin van de oorlog stelde Lydie, de jongste zuster van Germaine, voor om bij hen te komen wonen in de Hoedenmakersstraat 2. Dit zou veel veiliger zijn. Zij baatte er samen met haar man het café van de Coopérative E.U.B, uit en er was meer dan plaats genoeg in het gebouw. De verhuis gebeurde op 18 september 1940. De activiteiten op cultureel gebied kwamen op een laag pitje te liggen maar geleidelijk aan kwam er toch weer wat beweging in het sociale leven. Armand bleef niet stil zitten. Hij heeft onder de oorlog verschillende portretten in pastel gemaakt van vrienden of mensen die het hem vroegen. Ook werd er nog toneel gespeeld. Men had in de Coopérative ook een feestzaal. Armand speelde toen, samen met ondermeer Frank en Suzy Roose, die hier een tijd terug aan bod kwamen met Die Ghesellen en de Vrolijke Vier, bij Die Roya. Weer was hij in de weer om de decors te verzorgen. Begin 1945 werd hij ook gevraagd in Hemelsdale om het decor te schilderen van het stuk "EIckerlyck" geregisseerd door Herman Van Overbeke. De hoofdrol in dit stuk werd toen gespeeld door Frieda Vandekerckhove. In de school waren er verscheidene meisjes uit Antwerpen die naar Brugge gevlucht waren voor de V1 aanvallen. Een aantal trad ook op in dit stuk. De foto die we verder tonen stelt een "Antwerpse" engel voor. Voor het vijftigjarig bestaan van de Beroepsschool der Maricolen was er een optreden onder de regie van Antoon Vander Plaetse, een vriend van Armand. Hij deed beroep op mijn vader en de pers sprak van" het ontroerend lichtspel van Armand Willems." Regelmatig werd beroep gedaan op Armand en zijn beste vriend Arie Schoonooghe om op huwelijksfeesten en feesten van verenigingen enkele nummers te komen opvoeren van het vroegere cabaret. U begrijpt dat dit alles werd gedaan om een beetje zaad in het bakje te krijgen, de oorlog was een moeilijke tijd. Ter gelegenheid van de Plechtige Communie van de kinderen van zijn broer Guibert werden Armand en Germaine altijd uitgenodigd. Toen bracht Armand steeds een klein schilderij mee als geschenk voor de plechtige communicant. Het stelde meestal een paar meesjes voor gezeten op een tak.

Na de oorlog

Na de oorlog wilde Armand zo spoedig mogelijk weg uit de Hoedenmakersstraat om niet meer tot last te zijn van anderen en er werd verhuisd naar de Spoorwegstraat 378, in een huis toebehorende aan een zuster van Germaine. In 1946 kwamen er de eerste lokale verkiezingen aan. Mijn grootvader langs moeders kant, Alfons De Baecke,die vóór de oorlog eerste schepen was op Sint Michiels, was toen burgemeester na het ontslag van de oorlogsburgemeester De Mey. Voor de verkiezingen van 1946 stelde Michel Van Maele zich kandidaat voor het burgemeesterschap. De vader van Michel, Jules, was een goede vriend van Alfons De Baecke en deze laatste steunde officieel de kandidatuur van Michel. Ook vader Armand kon zich niet onbetuigd laten in de verkiezingsstrijd. Hij schilderde een groot portret van Michel, liet dit aanbrengen op een boerenkar en getrokken door twee paarden nam het deel aan de verkiezingsstoet. Michel Van Maele werd verkozen als de jongste burgemeester van België.

De periode van Steenbrugge

Daar ze in de Spoorwegstraat woonden was de familie voor de zondagsmis aangewezen op Steenbrugge. Ook het sociale leven werd van uit de abdij gestimuleerd. De paters Benedictijnen van Steenbrugge waren sterk verweven met allerlei activiteiten van de gemeenschap. Spoedig was vader Armand betrokken bij onder andere de Toneelkring " Kunst Adelt". Hij trad toe tot de toneelkring en op 14 augustus 1945 werd hij voorgesteld als nieuwe regisseur. Het eerste stuk onder zijn regie was waarschijnlijk "Het koffertje" dat drie maal werd opgevoerd, tweemaal te Steenbrugge en eenmaal te Oedelem. Op 18 mei 1945 werd Armand erevoorzitter. Tussen 1945 en 1953 werden onder zijn regie een vijftiental toneelstukken opgevoerd. Tussendoor en nadien werd de regie ook gevoerd door verschillende leden van de kring wat voor Armand een grote verlichting was daar hij nog bij andere activiteiten betrokken was. Of dat alles nog niet genoeg was aanvaardde hij op 23 januari 1952 het voorzitterschap van de Toneelkring "Kunst Adelt". Hij oefende deze taak uit tot 21 september 1953 toen hij ontslag nam. Gilbert Hoevenaeghel volgde hem op. In 1946 werd er voor de 700ste verjaardag van bet Heilig Sacramentsfeest in Luik een Sacraments-processie georganiseerd op de Maas met een tweehonderdtal boten, ledere stad of vereniging kon daaraan deelnemen en zo kwam het dat Pater Boon er aan dacht om voor de Stad Brugge de groep van het Heilig Bloedspel in te schakelen. Het ontwerp voor de boot werd toevertrouwd aan Armand Willems. De processie vond plaats op 16 juni 1946. In 1947 vonden dan de eerste naoorlogse opvoeringen van het Heilig Bloedspel plaats. Weer werd het groot verlof er voor opgeofferd. Even vermelden dat Armand ook werd aangesteld als hulpregisseur om over te nemen als Anton van de Velde niet beschikbaar was. Er waren dit jaar 10 opvoeringen (l, 2, 3, 5, 7, 10, 12, 14, 15 en 17 augustus). Ook de twee zonen van Armand, Jacques en Pierre waren er als torenengelen vertegenwoordigd. In maart 1948 kregen alle spelers het album van het Heilig Bloedspel met hun naam er in vermeld.

Het Sint Benedictusspel

Pater Dom Tillo Van Biervliet van de Sint Pietersabdij van Steenbrugge kroop regelmatig in de pen . Hij was zelf begonnen aan een levensgeschiedenis van de Heilige Benedictus dat als openluchtspektakel kon opgevoerd worden. Op de bestuursvergadering van de toneelkring van 22 april 1948 gaf Dom Tillo uitleg over het openluchtspel in aanwezigheid van Vader Abt. Armand gaf toelichting bij het decor dat een oppervlakte van 200m2 en een hoogte van 9m zou hebben. Eerst maakte hij er een maquette en later werd het opgebouwd door een plaatselijke schrijnwerker met de medewerking van enkele leden van de toneelkring en Armand. Toen konden de repetities beginnen onder de regie van Armand. De affiches voor het Benedictusspel werden ook door hem ontworpen. Maakten deel uit van de uitvoerders: de toneelkring "Kunst Adelt", het knapenkoor onder leiding van dom Willibrord Schets en het koor der monniken van de St. Pietersabdij. In totaal waren er 120 uitvoerders. Ik herinner me dat de klank werd opgenomen op een bandopnemer met staaldraad en als die brak dan moest men daar gewoon een knoop in leggen. De eerste opvoeringen grepen plaats op 8 en 15 augustus 1948. Het werd een groot succes en de eerste uitvoering kon rekenen op een publiek van 800 personen waaronder de pauselijke nuntius Mgr. Cento en vele leden van de burgerlijke overheid. In totaal waren na de tweede vertoning dus 1600 mensen getuige geweest van dit spel. De kritiek in de pers was zeer lovend .....ook in "La Libre Belgique". Door dit succes en niettegenstaande er een kleine financiële kater was overgehouden, en mede door het aandringen van Mgr. Cento besloot men een tweede reeks voorstellingen op te voeren. Dit gebeurde in 1950 op 13, 15 en 20 augustus. Renaat Veremans heeft voor die laatste opvoeringen de tweestemmige slotzang gecomponeerd. Nog even vermelden dat op 24 april 1949 Armand Willems te Steenbrugge gevierd werd voor zijn 25-jarige toneelcarrière. Dat gebeurde na het eerste bedrijf van "De Wonderdokter", gespeeld door de leden van "Kunst Adelt", waar hij gehuldigd werd door Dom Willibrord Schets, voorzitter Kamiel Beerlandt, Pater Boon en Abt Dom Isidoor Lambrecht.

Het leven gaat verder

In die tussentijd was er weeral een verhuis gebeurd. Op 1 oktober 1949 trok het gezin Willems naar de Heidelbergstraat, 102. Bij een prijsuitreiking van de Stadsjongensscholen in de schouwburg met schepen Gerard Eneman lezen we in de krant dat de Stadsjongensschool nr.3 een paar mooie nummertjes ten beste geeft onder leiding van Mej.Demeester en de bekende toneelspeler-regisseur Armand Willems. In 1952 en 1957 kwamen er telkens een reeks opvoeringen van het Heilig Bloedspel want men had zich voorgenomen om de vijfjaar dit te herhalen. In 1952 waren er 8 opvoeringen :29 en 30 juli en 2,3,9,10,16 en 17 augustus. Na de opvoeringen van 1952 werd Armand Willems bevestigd als eerste secretaris, Roger Louwagie werd tweede secretaris. In 1957 waren er 11 opvoeringen: 1,3,4,6,8,10,11,14,15,17 en 18 augustus. In totaal hadden op een totaal van 42 opvoeringen, van 1938 tot 1957, ruim 600.000 mensen het Heilig Bloedspel bijgewoond. 1957 was een rampjaar voor de gezellen van het Heilig Bloedspel. Op 5 april overleed Pater Boon te Gent in de ouderdom van 57 jaar. Hij was de stichter en de bezieler geweest. Hoe moest het nu verder? Pater Speeckaert ook een Redemptorist volgde hem op. Op zondag 18 augustus 1957 waren ook Z.M. Koning Boudewijn en Z.K.H. Prins Alexander aanwezig op de voorstelling. De Koning had er aan gehouden na de voorstelling voorgesteld te worden aan de beheerraad van het Heilig Bloedspel. Samen met pater Speeckaert was de voltallige beheerraad aanwezig op deze plechtigheid. Armand was natuurlijk ook van de partij. In dit overzicht hebben we nog weinig gesproken hoe het verder ging met het gezin van Armand. We hebben het daar minder over gehad daar het de bedoeling was vooral het werk van Armand te belichten. Toch even dit: ieder van de kinderen heeft zijn weg gevonden . Jacques had zijn studies voleindigd als Technisch Ingenieur en was tewerkgesteld in de glasfabriek van Zeebrugge als Ingenieur-dienstoverste van de afdeling Koud Glas, Pierre had zijn studies voleindigd in het VTI te Brugge en werd na een korte periode in de Brugeoise tewerkgesteld bij de MBZ (Maatschappij de Brugse Zeevaartinrichtingen) waar hij het bracht tot Hoofdcontroleur van werken in de haven van Zeebrugge , Maria heeft haar studies beëindigd in de Zusters Maricolen en werd Regentes in naad en tekenen en gaf les in een technische school in leper. Ondertussen waren ze ook allemaal gehuwd en op 26 november 1957 verhuisden Armand en Germaine naar de Maagdenstraat 86 in Brugge. In die periode , na zijn loopbaan als onderwijzer, werd Armand aangesteld als Opzichter aan de stedelijke Academie van Brugge, functie die hij zal uitoefenen tot aan zijn overlijden. In 1958 werd in de stadsschouwburg een plechtigheid gehouden waar onder andere de verdienstelijke medewerkers aan het Heilig Bloedspel gehuldigd werden. Anton van de Velde ontving een schilderij van Aimé Van Belleghem en een map met de namen van alle spelers. Armand werd vereerd met een beeldhouwwerk van Hendrik Laloo dat de drie koningen voorstelde. Wij, de kinderen.noemden dit beeld een beetje oneerbiedig "de drie gapers". Op 30 maart 1959 werd op de Davidsfonds-gouwdag te Steenbrugge hulde gebracht aan mevrouw Louise Lateur- Gezelle, de zuster van Guido Gezette en tevens de moeder van Stijn Streuvels. Na de H. Mis in de Abdijkerk stapte een stoet naar de woning in de Baron Ruzettelaan 302 (vroeger 298) waar Mevrouw Lateur vijftig jaar eerder was overleden. Er werd daar een gedenkplaat onthuld ontworpen door Armand Willems, toen ondervoorzitter van het Davidsfonds Steenbrugge. Door zijn werk op de Academie bleef er niet veel tijd meer over voor andere bezigheden. Normaal stond in 1962 een volgende reeks opvoeringen van het Heilig Bloedspel op het programma. Armand zou het echter niet meer mogen meemaken. Het Heilig Bloedspel had al een zware klap te verduren gekregen door het verlies van Pater Boon. Na een kort verblijf in het hospitaal wegens hartproblemen overleed Armand tengevolge van een hartinfarct op 6 september 1961. Hij was amper 59 jaar oud. Hij had een kort leven maar wat hij presteerde in dit leven was wonderlijk. Hij is een gedreven man geweest maar deed dat op een eenvoudige manier in alle stilte. Dat hij zo vrij zijn wensen heeft kunnen vervullen heeft hij grotendeels te danken aan zijn lieve echtgenote Germaine, hij noemde ze altijd Maintje, die hem steeds terzijde stond. Zij is ook veel te vroeg op 17 februari 1967 overleden in de ouderdom van 59 jaar. Hier eindigt dit verhaal van Armand Willems. Met deze korte studie heb ik een stille hulde willen brengen aan mijn vader omdat ik meen dat hij daar recht op had. Op die manier kan het ook voor het nageslacht bewaard blijven. Hij was voor ons een voorbeeld om na te volgen.

Bronnen:

We vonden heel wat foto's en teksten in ons familiaal archief. Mijn broer Pierre heeft mij daar heel veel in geholpen. In het stadsarchief kon ik de correspondentie tussen Pater Boon en mijn vader raadplegen. In de bibliotheek De Biekorf waren de vroegere nummers van het tijdschrift "De Graal" een welkome bron voor de geschiedenis van het Heilig Bloedspel. Tenslotte moet ik de heer Michel Vanderostyne danken die mij het boek "75 jaar Kunst Adelt 1919-1994" bezorgde dat was opgesteld door hemzelf en Flor Will.


LIJKREDE VAN DE HEER ARMAND WILLEM5 UITGESPROKEN DOOR DE HEER FRANS RAMON ("BOSCHVOGEL") -Uitgangsjaar onderwijzers 1922

Welgeachte familie, beste klasmakkers, Dat wij op heden onze dierbare Armand Willems moeten ten grave begeleiden telt onder de zwaarste slagen die ons beproefde jaar '22 in de laatste tijd krijgt te verduren. Want Armand was - en zo zal hij in ons aller gedachtenis blijven leven - de animator, die een feestelijke sfeer van onverouderd geluk en onversleten kameraadschap kon uit de grond toveren. Waar hij ook kwam, kwiek en vief, rank en slank, pezig en jeugdig in zijn verschijning, was hij de bliksem van blijheid die plots insloeg. Wat was het mirakel van zijn invloed ? het verassend licht van jeugd en vreugd in zijn ogen? Zijn snedig gebaar? Zijn wonderschoon Brugs? Ja, dit alles, doch bovenal zijn gouden hart, dat hij niet alleen aan zijn goede vrouw en zijn thuis wegschonk, doch ook ons allen, zijn klasmakkers. Onze hulde is dan op de eerste plaats een belijdenis van diepe dankbaarheid. Hij heeft ons immers ontelbare malen zo schoon, zo volkomen gelukkig gemaakt. Hij kende niets dan vrienden bij ons. Want dit moet ik getuigen : ik heb deze man nooit een woord kwaad horen spreken over zijn makkers. Hij was bij ons, en ook bij de anderen een apostel van vreugde. Dit apostolaat was gegroeid uit zijn ongeboren Brugse geestigheid. Hij had een volle pint Uilenspiegelbloed medegekregen. Maar daarnaast diende hij: hij zocht anderen te doen lachen om hen de zorgen en lasten van het leven te doen vergeten, om hen zijn volste vriendschap te bewijzen. Om gelukkig te maken. Maar zijn joligheid was olijkhied, zijn geestigheid was Brugse fijne geestigheid. Hij stond steeds op het plan van artistieke prestatie, was nooit laag of banaal. Armand Willems was immers op meer dan één gebied een kunstenaar. In de Normaalschool te Torhout heeft een geslacht van de onderwijzer van morgen met zijn romantische tekeningen en schilderijen, die de wanden en geschriften van het St. Jozefsinstituut versierden, helpen vormen tot dit volschone Vlaamse idealisme, dat ons geluk en onze smart, maar onverminderd ons aller levensdoel is gebleven. Dit idealisme, opgeroepen door Dr Alberic Decoene, kreeg in de twintiger jaren een vaste inhoud en vorm. Het kleine boekje "Eer en Deugd" de catechismus van de christelijke onderwijzer-gentleman, kreeg op zijn omslag het bekende riddervignet van Armand Willems, waarin de bekoorlijkheid van een hoogstaand romantisme leeft en rilt. In dezelfde trant beschilderde hij wanden, illustreerde hij werken. Kortgeleden nog voelden wij ons hart warm worden bij de bronzen gedenkplaat van Stijn Streuvels' moeder in zijn dierbaar Steenbrugge. Waar er te werken viel om wat schoons te presteren, om de vrome, de artistieke en Vlaamse kant van zijn volk te ontginnen, daar was hij bij of omtrent. Met heel zijn hart. Een hart dat alles gaf, meer dan het kon. Een hart dat onder deze eeuwige aandrang is bezweken. Op deze bedroevende grens van leven en dood, die ons voorlopig van hem scheidt, kunnen we met gerust gemoed getuigen : Armand, gij hebt U nobel, U ridderlijk gedragen, gij hebt in eer en deugd de goede strijd gestreden. Uw leven zal ons een voorbeeld blijven. En uw loon zal niet klein wezen. Want, ons geloof, alfa en omega van ons idealisme, leert ons dat gij leven zult ten eeuwigen dage. Wij zullen het u eenmaal kunnen herhalen hoe uw naam op onze lippen is blijven leven, hoe uw kameraadschap onze klassevergaderingen nieuw leven schonk, cement van een bestendige en vreugdevolle samenhorigheid. Wij bidden in dit uur van lijden en scheiden om de eeuwige vreugd voor U. Alle vreugde is eindeloos. Zij zal de uw zijn. Bid gij voor ons om een genster van uw vreugdeapostolaat, in dienst van het volk, dat wij beminnen, mede in dienst van de grote Meester. Tot weerziens, Armand. Ja tot over kort, want de avond naakt voor allen van ons. Rust in vrede.


Grafrede gehouden door de heer J. Van Den Driessche bij het afsterven van de heer Armand Willems.

Diep betreurde en beste Armand, Uw heengaan naar de eeuwigheid is voor allen die U van nabij hebben gekend, een droevig nieuws geworden. Heel wat moois en goeds zal over U verteld worden, omdat de hoedanigheden, talenten en gaven, waarmee de Heer U gezegend en begunstigd had, menigvuldig waren. Het is me een eer hier openlijk één van uw menigvuldige activiteiten te mogen belichten. Wat had ik het graag gedaan in andere omstandigheden : wat zou ik me erover verheugd hebben het te mogen doen met klank en overtuiging in de eerstkomende vergadering van het volledig Gezelschap van het H.BIoedspel. Wat heb ik er spijt over, in de vorige algemene bijeenkomst, niet meer nadruk te hebben gelegd op uw vele verdiensten. Want uw naam blijft onafscheidbaar verbonden aan het spel als de naam van Pater Boon. In binnen- en buitenland is uw naam wel niet zo beroemd en bekend geworden, maar zij die met U hebben samengewerkt van bij het ontstaan, weten wat het H. Bloedspel voor U betekend heeft, en vooral wat het spel U verschuldigd is. Allen, die van het allereerste uur erbij betrokken waren, alle spelers, allen die in de organisatie stonden, weten dat ze het U te danken hebben, dat de opvoeringen van 1957 er gekomen zijn. Uw ijver, uw toewijding, uw stuwkracht hebben redding gebracht op het meest kritieke ogenblik. Benevens uw officiële functie van Secretaris van het Gezelschap, hebt ge leiding, richting en herhalingen ter hand genomen, zonder op te sommen, de onaangename en veelvuldige administratieve beslommeringen eraan verbonden. Voor alle opvoeringen, en vooral voor de laatste reeks, zijn we U onzeglijk veel dank verschuldigd. Wat zijn we soms traag en ondankbaar om de grote verdiensten van een mens te erkennen, tenzij wanneer het te laat is. In Gods beschikkingen ligt voor ons iets niet te doorgronden. Pater Boon ging heen aan de vooravond van de opvoeringen; ook gij, beste Armand, verlaat ons aan de vooravond van het opvoeringsjaar. Ge zijt er niet meer, wanneer we U het meest nodig zullen hebben. Hoe dikwijls zal het ons gebeuren te herhalen : " Wat jammer dat Armand niet hier is, om ons te zeggen hoe het moet!" Achtbare Familie, het is voor U droevig een vader, een broeder, een familielid te verliezen. We betreuren samen met U het heengaan van een vriend. Moge God hem genadig bij zich opnemen, en hem toelaten vanuit de hemel op ons neer te zien bij het werk dat we nu zonder hem verder moeten doen. We vragen de Heer U moed en troost te schenken. We hopen dat de geest en de gedachte van Armand in ons midden zal vertoeven, wanneer we straks verder gaan werken aan het H. Bloedspel, waar hij zo mee vertrouwd en zo mee vergroeid was. Diepbetreurde Armand, help ons U niet te vergeten. Rust in vrede.


Titelbladzijde van DE GRAAL van Oktober 1961 11e JAARGANG — Nr. l Oktober 1961

DE GRAAL

OFFICIEEL ORGAAN VOOR DE GEZELLEN VAN HET HEILIG BLOEDSPEL - BRUGGE Uitgegeven door het Gezelschap van het Heilig Bloedspel V.Z.W.D. Secretarie v.d. Algemene Leiding : Oude Burg 15, BRUGGE, Tel. 324.64

EEN NIEUW SPEELJAAR

Toekomend jaar deze tijd zal het H. Bloedspel voorbij zijn ! Hoe zullen de tienduizenden toeschouwers en toehoorders erover oordelen ? En hoe zult U erover oordelen ? Ik hoor het U al zeggen : «'t Is te zien hoe het vernieuwd stuk er zal uitzien !» Inderdaad. Maar het H. Bloedspel wordt vooral wat de spelers ervan zullen maken. Beste regie, flinkste choreografie, mooiste belichting en decor, het schoonste stuk en de indrukwekkendste muziek kunnen een grote mislukking worden, indien de spelers hun rol niet fijn vertolken. Daarom moet gij uw rol beleven, zowel hoofdrollen als figuratie. Want als het H. Bloedspel steeds indrukwekkend was, dan was het omdat het door de vertolkers beleefd werd : het was een stuk van hun leven. Zijn E. Pater Boon en A. Willems er geen sprekend voorbeeld van geweest ? 1962 moet voor ons allen in het teken staan van Sanguis Christi. Daarom zulen wij onze vrije avonden, onze verlofdagen ervoor vrij houden, is 't niet ? Denkt U niet dat voor ons de schoonste godsvrucht tot het H. Bloed zal worden onze prestatie, meer dan een ommegang ? Daarbij, zullen wij door ons spel velen aanzetten het H. Bloed te vereren en zo wellicht dichter bij God te brengen. Is dit geen schoon apostelwerk ? Of is het misschien min verdienstelijk omdat U het graag doet ? Alwie zijn steentje wil bijdragen tot het H. Bloedspel, hetzij door op te treden, hetzij ervoor te werken, zal een parel geven in 1962 aan Brugge's kroon.

O. VAN ROLLEGHEM — ALGEMEEN LEIDER


Uit De Graal van oktober 1961 een uittreksel uit de Cleyne Cronycke van den Brughscen Draecke.

Maar 't en ging toch niet gelijk vroeger, want d'r was gelijk entwa te kort aan 't Heilig Bloedspel van '62.

Een Heilig Bloedspel zonder Carmagnole of zonder stadswachter, och 'k hen verstaan dat er daar een mouwe aan te passen was, maar wien had er hem ooit kunnen voren stellen dat we 't Heilig Bloedspel zoen moeten spelen zonder Armand Willems. 'k Heb Armand Willems voor den eersten keer in 't Heilig Bloedspel tegengekomen in 't jaar '38, dat is als ik goed kan rekenen 23 jaar geleen, en dat telt mee, zelfs in 't leven van een oude drake. Hoeveel keren dat 't Heilig Bloedspel sedertdien gespeeld werd, hoeveel keren dat er vergaderd wierd of gerepeteerd, ‘k ben d'r den tel kwijt geraakt, maar 'k gelove toch niet dat Armand Willems ooit ene keer gemankeerd heeft. Altijd gereed, dag uit dag in altijd op de bene, op 't podium en op d'Halle en op 't Secretariaat en op de Markt en overal wat dat er entwa te doen was, overal en altijd, was Armand Willems en altijd met een goed woordje die hem rechte ut 'therte kwam. Zou je dan niet geloven dat er gelijk entwa breekt in m'n herte nu da'k achter een vriendschap van zoveel jaren hier voor de laatste keer in mijn kronieke over Armand Willems zit te schrijven. Maar met één troost tenslotte,een troost da'k peize te zoeken in de zomeravonden van 't jaar '62 als 't Heilig Bloedspel op de Markt van Brugge gespeeld wordt; want dan zal ik, en vele andere uit 't Heilig Bloedspel met mij, een keer naar boven kijken omdat we weten dat er daar een klein stukske van den hemel zal openscheuren waardoor dat Armand Willems tegare met Pater Boon en met Joseph Lagasse en met Evarist Andries en anderen nog een keer naar hun Heilig Bloedspel gaan lonken. En peist ge niet dat het voor ons allemale troostend zou zijn moesten ze dan tegen malkaar monkelen: "Allé, we zijn kontent, wantz'hent daar in Brugge were goed gedaan.

DEN BRUGHSCEN DRAECKE



Ter gelegenheid van de familie bijeenkomst op zaterdag 1 mei 2010 van de nakomelingen van Hélène Thomas en Guibert Willems, in het Fort van Beieren te Koolkerke, werd een korte vertelling gebracht over twee markante figuren uit onze familie. Hierna volgen de verhalen waaruit geput werd.

 2 - Monseigneur Louis Jozef Kerkhofs

Toen in 1930 Hélène Thomas met haar zieke vader, Jean-Joseph, haar zus Jeanne en haar stiefmoeder, Marie Vandueren vanuit Amsterdam terug naar het geboortedorp van haar vader, Heure-le-Romain ging, dacht haar vader dat het water uit de bron nabij zijn geboortehuis hem zou genezen. Jean Joseph stierf in het huis langs de bron. Zijn tweede vrouw, Moemoen, en zijn dochter Jeanne bouwden een huis met de erfenis op zijn nagelaten grond . Hélène, onze mama, zag een leven bij haar stiefmoeder in het nochtans mooie Waalse dorpje tussen de Maasvallei en de Jekervallei vlakbij de taalgrens niet zitten. In Luik op het bisschoppelijk paleis woonde haar verre neef Jozef Kerhofs. Hij was bekommerd om het lot van de weeskinderen in zijn familie. Eerst hielp hij Hélène aan een job bij een Luikse tandarts en later zorgde hij ervoor dat zijn nichtje in Lourdes aan de slag kon in een van de vele souvenierswinkels rond de Baseliek. Maar wie was die aardige Monseigneur Kerkhofs?

Jozef Jackers vertelt het ons.

Mgr_Kerkhofs.jpg Monseigneur Louis Jozef Kerkhofs werd geboren te Val-Meer op 15 februari 1878; z ouders waren Jan Kerkhofs ( +1895) en Theresia Vandenbosch (+1913). Hij was de tweede van vier kinderen: Maria, Louis, Mathieu en Judith. De kinderjaren v; de toekomstige bisschop verliepen vredig te Val-Meer. Op 12 mei 1889 deed hij z plechtige communie. De elfjarige jongen was toen reeds ver gevorderd in zijnhumaniorastudies; hij had al onder leiding van de pastoors Custers en Aerts van Val-Meer de leerstof van de 6° en 5° latijnse doorgemaakt. Zo kon hij dan schitterende uitslagen behalen op het college van Peer en Hasselt.

Na zijn humaniora-studies werd hij seminarist te Luik. Maar zijn uitmuntende studie hadden de aandacht van Mgr. Doutreloux getrokken, die hem in 1894 naar de Gregoriaar universiteit van Rome zond. Te Rome werd hij subdiaken en diaken gewijd. Te Luik ontving hij op 22 september 1900 de priesterwijding; de volgende dag celebreerde hij zijn plechtige eremis te Val-Meer. In oktober 1901 werd hij, ondanks zijn jeugdige ouderdom professor in de wijsbegeerte aan het seminarie te Sint-Truiden en in 1917 doceerde hij dogmatische theologie aan het groot seminarie van Luik. Vijf jaar later vertrouwde Mgr. Rutten hem het voorzitterschap van het seminarie van Luik toe. Door de dood van de toenmalige hulpbisschop Mgr. Laminne werd kanunnik Kerkhofs als vervanger aangewezen.

Mgr.Kerkhofs werd de 88-ste bisschop van Luik

Bisschop gekozen op 14 december 1924, ontving Mgr Kerkhofs de volheid van zijn hoogambt op 11 februari 1925. Bisschop Mgr Rutten stierf, en Mgr Kerkhofs nam op 18 juli 1927 bezit van de bisschopszetel van Luik en werd zodoende de 88° opvolger van de heilige Lambertus. In alle eenvoud leidde hij een leven van gebed en naastenliefde. Zijn Maria-devotie was spreekwoordelijk en in Banneux was hij dikwijls te gast bij Moeder Maria: zo legde hij in mei 1943 een officieel bezoek af aan Banneux en erkende er plechtig de verering van Maria als de Maagd der Armen en was de promotor van deze verering bij de clerus. Mgr. Kerkhofs muntte uit door zijn nederigheid en goedheid. Toen België in 1940 overweldigd werd, deed hij zich al dadelijk opmerken door zijn verzet tegen de vijand. Hij liet een brief verschijnen waarin geprotesteerd werd tegen de verplichte tewerkstelling en weigerde de lijst met de namen van de seminaristen over te maken. Ook weigerde hij de sleutels van de klokketoren van de kathedraal te geven toen de Duitsers de klokken kwamen roven. Ook begaf hij zich naar de citadel om er versnaperingen uit te delen aan de gevangen gijzelaars. Hij redde het leven van vele joden en joodse kinderen door hen te versteken bij andere families. . Velen onder ons herinneren zich nog de processie van het Heilig Sacrament op de Maas op zondag 16 juni 1946, 700 jaar na de instelling van dit sacrament. Dank zij de bezielende kracht van Mgr. Kerkhofs slaagde dit feest volkomen. In 1948 startte hij ook een grote hulpactie ten bate van de noodlijdenden van de oorlog in Palestina. Later ontving hij de titel waar hij zo enorm fier over was: Ereburger van Nazareth. Ter gelegenheid van de 50ste verjaardag van zijn priesterwijding en de 25ste verjaardag van zijn bisschopswijding werd Mgr op verschillende plaatsen gevierd; in zijn geboortedorp gebeurde dit op 27 augustus 1950. Zijn uitzonderlijke verdiensten werden nogmaals onderlijnd door de aanstelling tot titelvoerend aartsbisschop van Serres in Macedonië op 8 december 1961. Amper een jaar later overleed hij op 84 jarige ouderdom op 31 december 1962. Op 4 januari had met militaire eer de lijkdienst plaats in de kathedraal van Luik.

Vrijdagavond, 4 januari 1962, Val-Meer.

De winteravond hing reeds over het rustige Val-Meer toen het stoffelijk overschot van zijn beroemste zoon de kerk werd ingedragen. Op de spitse toren van de neoromaanse parochiekerk stonden de T.V. spots opgesteld. Het leek wel de atmosfeer van een kerstnachtmis. Snelle mensenschaduwen schoven kerkwaarts, klokkegelui en muziekkorpsen, die zich klaar maakten voor de opluistering van de' religieuze plechtigheid, want Val-Meer kende toen drje muzjekverenjgjngen. Een lijkwagen met verlichte lantaarns bracht de aardse resten naar Val-Meer. Het ontmoetingspunt was het gedeeltelijk gesloopt klooster. Nooit heeft iemand aan Mgr. tijdens diens laatste drie levensjaren durven vertellen, dat de slopers hamer deze zo vertrouwde muren had neergehaald.

Zijn laatste rustplaats tussen zijn dorpelingen

Gedenkplaat langs de zijingang van de parochiekerk Voor hem bestond deze plaats nog. Hier heeft hij voor de laatste maal zijn geboortedorp terug ontmoet. Nog zien we in de duistere straat de lijkstoet opmarcheren naar de klokkenluidende kerk: misdienaars met processiekruis, schoolkinderen, organisaties me vaandels en de drie muziekmaatschappijen, de geestelijkheid en een sliert personaliteiten Een eivolle kerk wachtte de aardse resten op van deze illustere zoon van Val-Meer. Het stoffelijk overschot werd langs een zijingang binnengedragen door de priesters van Val-Meer. De pontificale mis werd opgedragen door de hulpbisschop Mgr. Heuschen, met assistentie van deken GeJaes en pastoor Van Dale. Mgr Van Zuylen hield de lijkrede. Organisaties, verenigingen en groeperingen van Val-Meer hebben samen met de familie bij het stoffelijk overschot in de parochiekerk de nachtwake gehouden. 's Anderendaags werd Mgr naar zijn grafkapel op de dodenakker van zijn geboortedorp gebracht. Tien jaar na het overlijden van Mgr werd een gedenkplaat langs de zijingang van de parochiekerk onthuld door gouverneur Roppe en Mgr Heuschen, in 1972.

Mgr Kerkhofsjaar 1987-1988

Daar Mgr 25 jaar in de heerlijkheid van de heer leeft werd dit feit dankbaar herdacht. Een plechtige jaarmis werd opgedragen op 29 november om 15 uur. Mgr Heuschen ging voor in de concelebratie met de priesters afkomstig van Val-Meer: Mç Onclin, E.H. Bouveroux, E.H. Willems, en E.H. Monard, samen met de priesters van het decanaat Vlijtingen en enkele oud-parochiepriesters. Meerdere zusters van onze parochie waren erbij, alsook een sterke vertegenwoordiging van de zusters van liefde van Tilburg. '

Het werd een waardig begin: een eivolle kerk, de "Valse Merels" op hun best, een indringende kanselrede van de bisschop; 't was een aangrijpende inzet van de groots viering.

Deze viering werd op enthousiaste wijze verwezenlijkt door een perfecte leiding en verschillende wijkgroepen die de handen in elkaar sloegen en in prachtige taferelen de evocatie van verschillende episodes uit het leven van Mgr wisten te symboliseren.

Niet alleen luisterrijk, doch ook op een ingetogen wijze, wordt Mgr herdacht met een simpel gebed aan de voet van zijn graf. Zijn vaderlijke goedheid en menselijke adeldom toont ons de ideale levensweg

Bron: Historische schets van Val-Meer door Jozef Jackers

 3 - Menschenredder Franciscus Van Quickelborné (1775-1854) gelauwerd

De grootmoeder, Julie Van Quickelborné, van onze papa, Guibert Willems, had een oom waarop zij best trots mocht zijn.

Julie.JPG Julie Van Quickelborné

auteurs: Anna en Bernard Schotte

- Toen op zondag 2 november 1828 tijdens een grootse plechtigheid Franciscus Van Quickelborné in het stadhuis van Brugge werd gelau¬werd als een menschenvriend die in de loop der jaren niet minder dan 23 drenkelingen had gered, zal het gebeuren voor deze gewone werk¬man uit één van de vele forten of arbeidersbuurten van de stad de dag van zijn leven zijn geweest. Bij Besluit van koning Willem I werd hij opgenomen in de Orde van de Nederlandschen Leeuw (l). Het was trouwens niet de eerste keer dat hij een ereteken op de borst kreeg gespeld want enkele maanden voordien en ook in 1822 had hij reeds een zilveren eremedaille gekregen voor het redden van mensen. Het waren eerbetuigingen aan een brave man die tientallen keren zijn leven gaarne wil ten offer geven voor zijn evenmenschs behoud. Voor heel wal Bruggelingen was hij inderdaad hun beschermengel geweest in ogenblikken van uiterste nood. -

Werkman Franciscus Van Quickelborné

Franciscus Ferdinandus Van Quickelborné zag het levenslicht in Brugge in juni 1775 en werd op de 27ste van die maand gedoopt in de O.-L.-Vrouwekerk. Hij was het zevenste kind van Joannes (°1739) en Catherine Fockaert (2). Het echtpaar, dat in 1764 in het huwelijk was getreden, kreeg elf kinderen (3). De familie Van Quickelborné behoorde tot de klasse van de onge¬schoolde arbeiders. Franciscus Van Quickelborné trouwde in 1795 met de 23-jarige Marie Snijders, dochter van een mestraper. Het echtpaar betrok vanaf ca. 1800 één van de vier kleine werkmanshuisjes in een fortje in de Schaarstraat vlakbij de Coupurebrug. In één van de andere huisjes woonde schoonvader Petrus Snijders met zijn echtgenote Marie.

kadasterschets.jpg

Kadastraal plan uil de Franse tijd (1795-1814) met zicht op de Coupurebrug en het steegje waar het gezin van Fnanciscus Van Quickelborné woonde. Zij betrokken het huisje met perceelnr. B 573. (Archief Dienst Eigendommen Stad Brugge)

Christiaens en vier kinderen (4). Van Quickelborné leerde zijn vrouw wellicht kennen in het fortje. Forten waren kleine huisjes gebouwd rondom een binnenkoer en toegankelijk via een poort of gang die uit¬gaf op een straat. De huisjes bestonden uit één vertrek dat dienst deed als woonkamer, keuken en slaapkamer van de ouders en zuigelingen. De oudere kinderen sliepen op zolder onder de pannen. In het 19de-eeuwse Brugge waren er zo'n zestigtal forten waar duizenden armelui hokten. De bewoners leefden er in waarlijk ellendige omstandigheden '(5). Het beluik of fortje waar Van Quickelborné en zijn schoonouders woonden, bevond zich op de plaats waar nu het pand Schaarstraat 88 staat. Het steegje dat toegang gaf tot de vier kleine huisjes was tot in de 18de eeuw gekend onder de naam de Kleine Schaarstraat. Kort na het midden van de 19de eeuw werden de huisjes afgebroken (6). Heden ten dage is het steegje nog gedeeltelijk bewaard gebleven en maakt het deel uit van de binnenkoer van het hotel Dante, gelegen op de hoek van de Schaarstraat en de Coupure. De vier huisjes lagen rechts van het steegje, op de plaats waar nu het huis Schaarstraat 88 staat. Franciscus Van Quickelborné bleef ruim dertig jaar lang wonen in het fortje. Hij was dagloner van beroep. Ook zijn kinderen, verwanten en kennissen maakten deel uit van het proletariaat. Zijn vrouw Marie Snijders was eveneens arbeidster. Zij bracht zeven kinderen ter wereld, waaronder Jan (°1795), Anna (°1799), Franciscus (°1801), Philippe (°1804), Pauline (°1809), Pieter (°1813). De oudste dochter kreeg in 1824 een onwettig kind, Anna Genoveva, dat in het huishouden werd opgenomen (7). Drie van de zonen zullen in de voetsporen van hun vader treden en ook een medemens van de verdrinkingsdood redden.

IMG_7276.JPG Het sas op 1 mei 2010

Toen Franciscus Van Quickelborné in het Schaarstraatje woonde, wordt hij gekwalificeerd als werkman maar soms ook als brouwers-knecht of arbeider in een brouwerij. Op enkele meters afstand van zijn woning lag er langs de Coupure een grote brandewijnstokerij/brouwerij. Het huis Schaarstraat 37 op de hoek met de Coupure en de aanpa¬lende gebouwen waren reeds in de 2de helft van de 18de eeuw in gebruik als stokerij. Het was tot het midden van de 19de eeuw in handen van de stokersfamilie Debeir-Busschaert. Ze bezaten een zeer groot eigendom dat nu de huizen Coupure 22-29 en Schaarstraat 33-37 (percelen B 578 en B 579) omvat. Vanaf ca. 1835 vestigde brouwer/stoker Jacobus Van Damme zich hier aan de Coupure en rond 1841 bouwde hij hier een nieuwe brouwerij/stokerij en kolenmagazijn. Het bedrijf kwam onmiddellijk daarna in handen van brouwer Ivo Van Damme (8). Het uitzicht van de brouwerij kennen we dankzij een mooie porseleinkaart die werd gemaakt vlak na het optrekken van de nieuwe bedrijfsgebouwen. porceleinkaart.jpg

porselijnikaart van ca. 1842 met zicht op de brouwerij, woning en kolenmagazijn van Jacobus Van Damme en de Coupurebrug en de Schutsluis waar Van Quickelborné vele van zijn reddingen verrichtte. Vlak achter het uiterst links gelegen gebouw bevond zich het fortje waar de menschenredder woonde (SAB)'

' Waarschijnlijk heeft Van Quickelborné in het bedrijf van Debeir-Busschaert gewerkt en later misschien ook in de brouwerij van Jacobus Van Damme. Een groot aantal reddingen van drenkelingen gebeurde immers aan de Coupure en de menschenvriend heeft gans zijn leven in deze buurt gewoond. In 1833 verhuisde hij met zijn gezin van het beluik in de Schaarstraat naar een klein arbeidershuisje op het Hoogstuk. Voordien had zijn zus¬ter Anna er gewoond met haar man Josephus Noe en hun kinderen. Dat was ook een gewone arbeidersfamilie: Joseph was een ongeschoolde arbeider en één van zijn zonen werkte als spinner. Toen de familie Van Quickelborné zijn intrek nam in het huisje op het Hoogstuk waren ze met acht personen. In 1835 komen ook dochter Pauline en haar echtgenoot Bernard Ruijsschaert met hun kinderen Franciscus (°1831) en Bernard (°1834) bij hen inwonen. Ruijsschaert was ketser van beroep, hij mende de paarden van trekschuiten. De twee gezinnen zullen altijd samen blijven wonen. In 1835 verhuizen ze alle-maal naar de Ganzenstraat. Het betrof opnieuw een klein arbeiders¬huisje. Zowel deze woning als het huisje op het Hoogstuk bestaan niet meer. Ze ruimden plaats voor nieuwe woningen die ontstonden door de samenvoeging van telkens twee huisjes. Aan de linkerkant van zowel Hoogstuk 63 als Ganzenstraat 20 stond dus ooit de woning van Franciseus Van Quickelborné (9).

Dien engel der voorzienigheyd

In 1834 kreeg Franciseus Van Quickelborné zijn eerste jaarlijkse pensioen van 200 guldens (of 423,24 fr.) uitbetaald, een vergoeding waarop hij als Broeder van de Orde van de Nederlandschen Leeuw recht had sinds een Koninklijk Besluit van dat jaar. Toen hij in 1828 in de Orde werd opgenomen was dat nog zonder genot van toelage (10).

Naast de eerbetuigingen was het pensioen een beloning in geld voor een man die in de loop van zijn leven tientallen mensen van de ver¬drinkingsdood had gered. In de Gazette van de Provincie West- Vlaanderen en der Stad Brugge van 18 december 1822 en 5 november 1828 werden zijn edelmoedige daden breedvoerig beschreven, in de voorbije twintig jaar had hij tal¬loze mensen gered. Pieter Winters, Guido Goetinck, Augustinus van Labbeke, Pieter Baes, Joseph Vanden Kerkhove, Pieter Adam, Pieter Antheunis, Pieter Hokster, Augustinus Vande Walle, Nicolaeys Cloet, Pieter de Blaere, Franciscus Verbrugge, Rodolphus Poitiers, Pieter Lambreghts, Joannes du Molin, Antonius Broeders, Pieter Bocquaert, Joannes Van Haecke en nog verscheidene andere niet meer bij naam gekende drenkelingen hadden hun leven te danken aan Franciscus Van Quickelborné (11).Op 24 december 1821 was hem bij Koninklijk Besluit een gratifica¬tie of beloning ter waarde van 42,1 fr. toegekend voor het redden van een kind, Joannes Van Haecke, dat in de Sasput aan de Coupure was gevallen. De gratificatie mocht ofwel uitbetaald worden in contant geld ofwel kreeg de gelauwerde een zilveren of gouden zakhorloge of (snuiftabaksdoosje van dezelfde waarde (12). Van Quickelborné had het kind op 14 september 1821 uit het water gehaald. De redding gebeurde op enkele meters van zijn woning aan de Coupurebrug. Ook de eerste reddingen van drenkelingen door Van Ouickelborné waarover verslagen bestaan, vonden bijna telkens plaats aan de Schutsluis aan de Coupure. Uit de verslagen blijkt duidelijk dat Van Quickelborné een ijzersterke man en een zeer goede zwemmer was. De stromingen en draaikolken aan de Schutsluis maakten het een gevaarlijke plaats om in het water te springen. Dat ondervond in 1812 de 36-jarige Augustinus Van Labbeke toen hij de 14-jarige Guido Goetinck die in de Sasput was gevallen, probeerde te redden. De man kwam door de stromingen evenzeer in moeilijkheden en beide drenkelingen raakten snel afgemat en maakten het smertelijkste gekerm. De talrijke toeschouwers vreesden het ergste tot Van Quickelborné kwam toegesneld en onmiddellijk in het water sprong. Hij vereenigde al zijn kragten en slaagde erin de twee drenkelingen op het droge te krijgen door langs de sasdeuren naar omhoog te klimmen. Augustinus Van Labbeke, eveneens werkman van beroep, werd voor zijn moedige daad die hij bijna met zijn leven had bekocht, beloond met een gratificatie. Een paar jaar later, in juli 1815, redde Van Quiekelborné op dezelfde plaats twee Engelsmannen van de verdrinkingsdood nadat de ene tevergeefs geprobeerd had de andere uit het water te halen. Op 28 september 1810 sprong hij tweemaal kort na elkaar in het water om een bejaarde en krankzinninge man te redden die verwoede pogingen deed om zichzelf van het leven te benemen. De 60-jarige Pieter Winters werd aan de Predikherenbrug door Franciscus Van Quickelborné na verschillende pogingen uit het water gehaald. Toen hij terug naar zijn huis ging, riepen de omstanders hem terug want de krankzinnige man was opnieuw in het water gesprongen. Opnieuw haalde hij de drenkeling die reeds tot op de bodem was gezonken uit het water. Een ander staaltje van zijn uitzonderlijke zwemtalent demonstreerde hij op een winterdag in 1815. Toen de hovenier Pieter Baes aan de Strobrug door het ijs zakte, sprong Van Quickelborné aan de Koningsbrug in het water en zwom tussen en zelfs onder het ijs tot aan de Strobrug waar hij met veel moeite de hovenier redde. Dat de reddingen dikwijls met gevaar voor eigen leven gebeurden, werd door vele getuigen bevestigd en was zeker het geval tijdens twee andere spectaculaire reddingen in 1817 en 1818. Ze von¬den allebei plaats aan de Sasput. Toen een schip aan de Sasput water maakte en snel zonk, waren twee kleine kinderen van het schippersgezin nog aan boord, waar ze in hun wiegje lagen te slapen. Niemand durfde ingrijpen maar zonder aarzelen dook Van Quickelborné, dien engel der voorzienigheyd, in de vaart. Hij bleef echter tot grote schrik van de omstanders minutenlang onder water maar toen hij terug boven¬kwam, had hij de twee half verstikte kindjes bij zich en gaf ze aan hun wenende moeder. Een jaar later, op een donkere winteravond, hoorden de bewoners in de buurt van de Sasput een ysselick gekerm. Door bran¬dende takkenbossen in het water te gooien zien de buurtbewoners een man in het water tegen de dood worstelen. Ofschoon de sasdeuren gesloten zijn en het vuur vlug uitdooft, snelt Van Quickelborné de man ter hulp. De drenkeling, de 49-jarige huisvader Josep Van Den Kerckhove, was al kopje ondergegaan maar zijn redder slaagt erin, inadergrootste gevaar zyns leven, hem te grijpen en langs de sasdeuren uit het water te kruipen. Voor zijn edelmoedige daden en belangloze opoffering werd Franciscus Ferdinand Van Quickelborné verschillende keren gelauwerd.

Ereblijken voor edelmoedige daden

Tijdens de Franse bezetting (1794-1814) werd de burgerzin in het algemeen geprezen, onder andere door reddingen van mensen die in levensgevaar verkeerden te honoreren met een gratificatie of beloning in geld. In de periode 1808-1814 kregen elf Bruggelingen een gratificatie voor het redden van drenkelingen. Het bedrag schommelde gewoonlijk tussen 12 fr. en 30 fr. De eerste Bruggeling die gehuldigd werd, was een zekere Van Haecke die op een winterdag in 1808 niet minder dan vijf mensen uit het ijskoude water van de havenkom haalde. Hij kreeg hiervoor 100 fr. De redding van de oude en krankzinnige man in 1810 door Franciscus Van Quickelborné werd beloond met een som van 20 fr. als récompence de son dévouement. Deze gratificaties werden uitbetaald met geld uit de stadskas (13). Onder het bestuur van de Hollanders (1815-1830) kwam het gebruik in zwang om redders ook te lauweren met erepenningen. Een Koninklijk Besluit van 19 juni 1822 voorzag een beloning met een zilveren of gouden medaille voor edelmoedige daden en menslievend gedrag. Daden vun verknochtheyd, van menscheleyckheid en van moed door burgers die in het belang der menschelyckheyd hun leven hebben blootgesteld dienden te worden beloond. Met een Koninklijk Besluit van 18 januari 1825 werd aan de maatschappij Tot Nut van 't Algemeen eveneens de bevoegdheid gegeven zulke daden te belonen met gratificaties, geschenken of medailles. De maatschappij Tot Nut van 't Algemeen, gesticht in Edam in 1784, had tot doel het welzijn, de deug¬den en de goede zeden in het algemeen te bevorderen. Met de stichting van scholen en bibliotheken werd de leescultuur en de volksontwikke¬ling bevorderd. Edelmoedige daden werden in het bijzonder gehuldigd. In Brugge werd de afdeling van de maatschappij gesticht door de Amsterdammer Petrus Van Genabeth (1794-1852), leraar Nederlandse taal aan het Koninklijk Atheneum van Brugge. Op de zilveren en gouden medailles die door de maatschappij Tot Nut vun 't Algemeen werden uitgereikt, stond aan de ene zijde de godin Minerva afgebeeld terwijl ze aan een knielende jongeling een boek overhandigt, met in de rand de naam van de maatschappij.

tot_nut.jpg

Aan de andere zijde van de medaille was een lauwerkrans afgebeeld met het opschrift voor edelmoedige daden. Vanaf 1830 werden er ook bronzen medailles uitgereikt. Ook op de eremedailles die vanaf 1822 bij Besluit van de koning werden toegekend, stond een lauwerkrans en aan de andere zijde een afbeelding van koning Willem I. Er was op alle medaiiles plaats voorzien voor het graveren van de naam van de gelauwerde redder. Na de Onafhankelijkheid (1830) slond op de officiële eremedailles vanzelfsprekend een afbeelding van de Belgische koning en het opschrift actes de courage et de dévouement (14). Vooraleer de maatschappij Tot Nut van ‘t Algemeen haar erepenningen uitreikte, werd er een nauwkeurig onderzoek uitgevoerd en getuigenissen genoteerd. De redding van een drenkeling diende te gebeuren in diep water en bij voorkeur door iemand die niet al te bedreven was in de zwemkunst; m.a.w. alleen personen die hun eigen leven hadden geriskeerd door in liet water te springen, konden gelauwerd worden. Ze moesten bovendien mensen van onbesproken gedrag en van goede zeden én er mocht geen bloedverwantschap bestaan tussen de redder en de drenkeling (15), De medailles voor moed en zelfopoffering werden in Brugge jaarlijks uitgereikt door de maatschappij Tot Nut van 't Algemeen. De plechtigheden vonden plaats in de grote zaal van het stadhuis. Inwoners uit de provincie West-Vlaanderen die zich verdienstelijk hadden gemaakt werden tijdens een groot plechtige feest gehuldigd.Gezien het groot aantal reddingen die Franciscus Van Quickelborné op zijn palmares had, werd hij| begrijpelijkerwijs een aantal keer speciaal gelauwerd. Zowel op 15 december 1822 als op 2 november 1828 werd hij tij¬dens een grootse plechtigheid in het stadhuis in de bloemetjes gezet (16). In 1822 werd hij geprezen niet een zilveren erepenning en een getuigschrift. De voorzitter van de Brugse afdeling van de maatschappij Tot nut van ‘t Algemeen, P.A. Sandelin die tevens voorzitter (1817-1830) van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement Brugge was, bewierookte de menschenvriend Van Quickelborne in een bewogen redevoering. Op zondag 11 mei 1828 kreeg de verdienstelijke Bruggeling een tweede zilveren medaille omdat hij de voorbije twintig jaar meer dan 23 mensen van de dood had gered. Op 5 oktober 1828 werd hij opgenomen in de Orde vun de Nederlandsche Leeuw, een eretitel die hem op 2 november tijdens een massaal bijgewoonde plechtigheid in de grote zaal van het stadhuis werd overhandigd. De opkomst was zo groot dat velen het feest niet konden bijwonen. Aanwezig waren de gouverneur van West-Vlaanderen, het bestuurscollege van de stad en vele hoge ambtenaren en officieren. De redevoering, met als onderwerp "deugd veredeld " (virtus nobilat), werd opnieuw uitgesproken door Sandelin. In zijn toespraak schilderde hij in warme kleuren de edelmoedige daden af van de gelauwerde. Verschillende van de meer dan 23 reddingen werden erin beschreven en ze werden door de aanwezigen met eerbiedige stilte en belangstelling aanhoord. Velen lieten zelfs hun tranen de vrije loop. Wanneer na de redevoering Franciscus Van Quickelborné de zilveren medaille van de Orde Van de Nederlandsche Leeuw op de borst krijgt gespeld door de gouverneur wordt hij langdurig toegejuigd. De ceremonie werd afgesloten met het zingen van het volkslied, het Guillemus van Nassauwen, want de Zuidelijke Nederlanden vormden toen nog een deel van het Koninkrijk der Nederlanden. Op de zilveren eremedaille, met een blauw-oranje lint, prijkte trouwens op de ene zijde de Nederlandse Leeuw en op de andere zijde stond de spreuk Virtus Nobilat. Petrus Van Genabeth, de secretaris van de Brugse afdeling van de maatschappij Tut Nut van 't Algemeen, las een door hem opgesteld huldegedicht voor. Ook tijdens de plechtigheid in mei 1828 werd een door Van Genabeth geschreven lied ter ere van Franciscus Van Quickelborné gezongen, ditmaal door schoolkinderen. De militare kapellen zorgde voor de muzikale noot en de kapelmeester Weber componeerde zelfde muziek voor het speciale huldelied. Ook de beiaard werd gespeeld tijdens de plechtigheden. In de liederen/gedichten en toespraken werd de naastenliefde, de deugdzaamheid, de moed en de onbaatzucht van den gevoeligen menschenvriend geprezen. Wie zijn leven riskeert om anderen te redden getuigt van edelmoedigheid en reyne menschenliefde. Doodsgevaar trotseren en er zelf geen voordeel uithalen waren inderdaad edelmoedige daden. Dat tientallen mensen hun leven te danken hadden aan de menschenredder Franciscus Van Quickelborné werd in de redevoeringen en krantenartikels in alle toon¬aarden bezongen.

DICHTREGELEN.

Als op bloedige oorlogsvelden,

D’overwinning kroont de helden,

Schreit de menscheid enen traan ;

D’eerkrans moog’ hun schedel sieren,

‘t Glorievaan hun tegenzwieren,

Doch de menscheid stort een traan!

Schooner palm is hem beschoren,

in wiens borst het vuur mag gloren,

Aan menschenlievendheid gewijd;

Als 't trotsen der gevaren,

Hij vergeet zijn' kracht en jaren ,

Juicht de menschheid bij dien strijd

Ook een traan rolt uit haar' oogen,

Ja haar' ziel is diep bewogen.

Als zij d'eedlen kamp aanschouwt

Van den braven , die zijn leven

Gaarne wil ten offer geven

Voor zijn evenmenschs behoud.

QUICKELBORNE! ’t Alvermogen

Zende u zegen uit den hoogen !

Blikke op uwe kindren neêr

Zegene ook uw laatste zonen !

Blijv’de deugd bij hen steeds wonen!

Rijze uw heilzon meer en meer!

Ook de Vorst waardeert uw' daden,

Hij weet op uw glorie paden,

’t Eermetaal u aan te biên.

Wil uw deugden glansrijk kroonen,

Vorstlijk uwe daân beloonen,

Waar we u'door veredeld zien.(*)

C9) Virtus Nobilitat.

Huldelied (1828) ter ere van Franciscus Vun Quickelborné, opgesteld door P. Van Genaheth (SOBB, Gazette van de Provincie Wes-Vlaenderen en der Stad Brugge, 05/11/1828) De plechtigheden werden afgesloten met een erebanket. Een werkman uit een sloppenwijk samen aan tafel met de gouverneur, die de gelauwerde hartelijk had omhelsd bij het opspellen van zijn decoratie, en andere hoogwaardigheidsbekleders zal wel een uniek moment geweest zijn in de klassenmaatschappij van toen. Voor een kortstondig moment was de gouverneur, graaf Ferdinand de Baillet, die tevens ridder van de Orde van de Nederlandsche Leeuw was, verbroederd met een ongeletterde broeder uit dezelfde orde maar uit een heel andere leefwereld.

(l) Stedelijke Openbare Bibliotheek Brugge. Gazette vun de Provincie West-Vlaanderen en der Stad Brugge, 3/l l/l828,3/11/1828 (2) Sltadsarchief Brugge, Parochieregisters (3) Joannes (*1766), Laurentius (°1767), Jacobus (*'1768). Philippe Patrice (*1770), Rosalie (*1772), Pierre Jacques (*1774). Catherine Anne (*1778), Anne Catherine (° 1778) Catherine Geneve (°1780) en Alexandre(°1782) (4) SAB. bevolkingsregisters, 1792-1812, B7/5; Belastingen op deuren en vensters rond hetjaar 1800, B7/5; Parochieregisters, Klappers Huwelijken, O-L-V-parochie, 3de portie, 4 mei 1795; Klappers Dopen (Marie Therese Snijders werd gedoopt op 21 februari 1772)

(5) J.A. KAU, De huisvesting van het proletariaat in het 19de-eeuwse Brugge, in: Brugs Ommeland, 1996, p. 5-147

(6) SA B, Kadastrale leggers, sectie B, artikels 308, 941, 957. De vier huisjes waren geregistreerd onder de perceelnummers U 573-576 en in de eerste helft van de 19de eeuw waren ze eigendom van achtereenvol¬gens timmerman De Roey en winkelier Bernard Moerman. De configuratie is tegenwoordig volledig gewijzigd. Het huis Schaarstraat 88 ontstond door de samenvoeging van twee huizen waarvan het links gelegen pand rond 1858 gebouwd was op de plaats waar de vier kleine huisjes hadden gestaan.

(7) SAB. Bevolkingsregisters, 1809-1830 & 18311 1846, 117/5; 1830-1846, B 12/65_. SAB, Registers Burgerlijke Stand- in de kranten wordt F. Van Quickelborné bestempeld als een huisvader met zeven kinderen. Hel is echter zeer goed mogelijk dal het kind van zijn ongetrouwde dochter werd meegerekend als het zevende van het gezin. (8) SAB, OA. 138, Zestendelen, DON/ 667/1604/2522/3243; 198. Klerken van de vierschaar, nr. 204, f. 67;Kadastrale leggers, sectie B, artikels 62, 550 &. 704; Belastingen op deuren en vensters, jaar VII, B4/84;Bevolkingsregisters. 1830-1846,B4/84,84²,84³. Het betreft de grote percelen H 578 & 579. In de 2de helft vun de 18de eeuw is brandewijnstoker Jacobus Bernardus Debeir (de Beir) de eigenaar. Daarna komt het in handen van brande-wijnstoker/brouwer Dominicuns Busschaert-Debeir. (9) Bevolkingsregisters, l830-l846, B12/65_; 1846 1866, B12/19. Kadastrale leggers, sectie B, artikels 279 & 294. De twee arbeiderswoningen op het Hoogstuk en in de Ganzestraat waren eigendom van respectievelijk bakker Benidictus Mestdagh en rentenier Albertus Marlier. Heden slaan hier respectievelijk de huizen Hoogstuk 63 (perceel 342C) en Ganzenstraat 20 (perceel 262N) (10) Stedelijke Openbure Bibliotheek Brugge, Gazette va de Provincie West Vlaanderen en der Stad Brugge,19/12/1834

(l1) SOBB, Gazette van de Provincie West-Vlaanderen en der Stad Brugge, l8 december l822 (bijvoegsel)

(12) SOBB. Nieuwe Gazette van Brugge, 29/01/1822, p. 3. SAB, Modern Archief, XIII 1)6. Actes de devouement (1808-1835) , nrs 3 en 18. De naam van het kind dat op 14 september 1821 werd gered, was volgens andere verklaringen Van Ackere i.p.v. Van (H)aecke


 4 - Tony Willems een verdienstelijke regisseur.

Tonny_Willems.jpg

 5 - Jacques Willems en de Able Mable

Jaques_Willems.jpg


Index van de pagina's
  1. gw_v5_tour_1_title

    gw_v5_tour_1_content

  2. gw_v5_tour_2_title (1/7)

    gw_v5_tour_2_content

  3. gw_v5_tour_3_title (2/7)

    gw_v5_tour_3_content

  4. gw_v5_tour_3bis_title (2/7)

    gw_v5_tour_3bis_content

  5. gw_v5_tour_4_title (3/7)

    gw_v5_tour_4_content

  6. gw_v5_tour_5_title (4/7)

    gw_v5_tour_5_content

  7. gw_v5_tour_6_title (5/7)

    gw_v5_tour_6_content

  8. gw_v5_tour_8_title (6/7)

    gw_v5_tour_8_content

  9. gw_v5_tour_7_title (7/7)

    gw_v5_tour_7_content

  10. gw_v5_tour_9_title

    gw_v5_tour_9_content